Lipohypertrofie: beter voorkomen dan genezen

Redactie van diabetestype1.nl
Redactie van diabetestype1.nl • 21 juni 2018
spuitplekken.jpg

Spuitplekken, ook wel lipohypertrofie genoemd, komen voor bij heel veel mensen met diabetes type 1. Maar wat is ‘heel veel’? Wetenschappers stellen zich die vraag ook. En wat zeggen de cijfers nog meer over spuitplekken? 

Goed om te weten: intussen (2021) zijn er onlangs wat meer onderzoeken hierover verschenen, dus dit artikel krijgt eind december een update, kom dan gerust nog een keer langs op deze pagina!

Hoeveel mensen met diabetes type 1 spuitplekken hebben, is nog niet zo eenvoudig te zeggen. Je hebt twee soorten, maar in dit artikel hebben we het alleen over meest voorkomende: lipohypertrofie. Het ene onderzoek heeft het over een paar procent, het andere over de helft.

Chinese onderzoekers legden daarom dit jaar 26 studies uit verschillende landen bij elkaar en berekenden het percentage opnieuw. Toen bleek dat 34% van de meer dan 12.000 onderzochte mensen spuitplekken hadden.

Slechtere opname

In een spuitplek verandert het weefsel van de huid in een vetknobbel. Insuline wordt dan minder snel opgenomen. Je zou zelfs een kwart minder insuline opnemen. Veel mensen gaan dan meer insuline gebruiken om de bloedsuikers stabiel te krijgen. Toch is dat niet de beste oplossing, blijkt uit onderzoek.

Meer hypo’s 

Spuitplekken leiden volgens het Chinese onderzoek zeven keer vaker tot schommelende bloedsuikers. Lastig te verklaren hypo’s komen zes keer zo vaak voor. Ernstige hypo’s blijken bijna drie keer meer voor te komen. 

Onderzoek naar oorzaken

Italiaanse wetenschappers lieten dit jaar zien welke factoren het meest verband houden met spuitplekken. In totaal deden 352 mensen met diabetes mee. Hiervan had 11% diabetes type 1. Hoe langer je diabetes hebt en hoe meer insuline je gebruikt, hoe meer kans je hebt op spuitplekken. 

Te weinig roteren

Spuitplekken blijken bovendien het meest voor te komen bij mensen die niet voldoende roteren of te weinig afstand houden tot de vorige plek. Te weinig roteren, zorgt ook voor een hogere HbA1c. Het precies opvolgen van de bewaarinstructies en het gebruik van een korte naald is ook belangrijk, maar maakt voor het ontstaan van spuitplekken minder verschil. 

Extra begeleiding

Het is natuurlijk niet altijd gemakkelijk om spuitplekken te voorkomen. Want hoe wissel je nu op de juiste manier de plekken af? Onderzoekers van Franse diabetescentra vroegen zich af of extra begeleiding verschil zou maken. Ze namen vorig jaar de proef op de som bij 123 mensen met diabetes en spuitplekken. Ruim de helft had diabetes type 1. 

De ideale spuittechniek

Na zes maanden had maar liefst twee derde van de deelnemers die extra begeleiding kregen de ideale spuittechniek te pakken. Van de groep met de gebruikelijke zorg was dit slechts een derde. 

Bij één diabetescentrum keken ze ook of de hoeveelheid insuline afnam bij de deelnemers. Na 6 maanden hadden zij ongeveer 5 eenheden per dag minder nodig dan in het begin. Na 20 maanden was dit zelfs 21 eenheden. Op dat moment hadden alle deelnemers de extra begeleiding inmiddels gehad. 

Meer onderzoek is nog nodig, want het ging om een klein aantal mensen. Maar de studie laat wel zien dat een beetje extra hulp veel verschil kan maken om beter te leren spuiten. En misschien zelfs om de opname van insuline weer te verbeteren. 

> Lees hier de nieuwste richtlijnen voor goed spuiten. Heb je vragen over jouw spuittechniek, stel ze dan tijdens je diabetescontroles. 

Spuitplekken komen veel voor bij diabetes type 1. Gelukkig zijn de plekken wel te voorkomen, al is dat niet altijd gemakkelijk. Het vergt extra oefening, maar dat levert wel wat op. Je voorkomt schommelingen en hypo’s die veroorzaakt worden door spuitplekken.

Vragen over dit onderzoek? 

Maak eenvoudig in 1 minuut een account aan en stel je vraag onder dit artikel!