Richtlijn voor betere diagnose volwassenen met diabetes type 1 

Redactie van diabetestype1.nl
Redactie van diabetestype1.nl • 9 december 2021

Bij mensen die na hun 30e diabetes type 1 krijgen, klopt de diagnose in het begin niet altijd. Bijvoorbeeld je krijgt ten onrechte eerst de diagnose diabetes type 2. Of wél type 1, maar je hebt eigenlijk MODY. Een nieuwe internationale richtlijn voor zorgverleners biedt houvast voor het stellen van een juiste diagnose.

Diabetes type 1 begint lang niet altijd op kinderleeftijd. De gemiddelde leeftijd voor de diagnose is zelfs 35 jaar. Maar bij veel volwassenen die na hun dertigste diabetes type 1 krijgen, wordt vaak (eerst) een verkeerde diagnose gesteld. 

Ze krijgen bijvoorbeeld een diagnose ‘type 2’. Of juist wel een diagnose ‘type 1’, terwijl ze eigenlijk MODY hebben. Dat is erg vervelend, want daardoor krijgen ze niet meteen de juiste behandeling. Daarom kwam er dit najaar een richtlijn voor zorgverleners die helpt om de juiste diagnose te stellen.

Nieuwe richtlijn behandeling type 1 volwassenen

Op het grote Europese diabetescongres EASD was er dit najaar aandacht voor een nieuwe richtlijn rond het managen van diabetes type 1 bij volwassenen. Die is gemaakt door internationale experts, onder wie de Nederlandse professoren Frank Snoek en Hans de Vries, vanuit de nieuwste inzichten in de wetenschap. 

In de nieuwe richtlijn komen verschillende onderwerpen aan bod, zoals het stellen van een juiste diagnose bij volwassenen met diabetes type 1. Daarvoor is een keuzeschema (flowchart) gemaakt voor zorgverleners. Over dit diagnose-onderdeel vertellen we hier wat meer.

Waarom soms verkeerde diagnose?

Hoe komt het eigenlijk dat je als volwassene vaak een verkeerde diagnose krijgt? Daarover vertelde prof. dr. Hans de Vries op het congres, en hij noemde verschillende dingen waardoor het soms misgaat bij het stellen van de diagnose:

  • Diabetes type 2 en overgewicht komen steeds vaker voor op jongere leeftijd. Daardoor wordt type 1 tegenwoordig vaker verward met type 2. 
  • Erfelijke vormen van diabetes, zoals MODY, kunnen zich vermommen als diabetes type 1. 
  • Bepaalde stoffen in het bloed, autoantistoffen, zijn een kenmerk van diabetes type 1. Maar ze zeggen niet altijd alles.
  • C-peptide, een stofje dat samen met insuline wordt gemaakt, is vaak best hoog tijdens de diagnose. Daardoor lijkt het erop dat iemand nog voldoende insuline maakt, waardoor het lijkt op type 2.

Volgorde voor stellen diagnose type 1 

Verkeerde diagnoses zijn dus zeker te verklaren, maar hopelijk in de toekomst beter te voorkomen. Waarop je moet letten als zorgverlener én in welke volgorde, daar ging prof. Hans de Vries ook uitgebreid op in:

‘Kijk eerst naar antistoffen’

Zorgverleners kunnen het beste als eerste bepaalde antistoffen in het bloed meten, als er wordt gedacht dat het weleens om type 1 zou kunnen gaan. Bij diabetes type 1 zijn die op het moment van diagnose vaak in het bloed te vinden. Bij slechts vijf tot tien procent van de gevallen is dat niet zo. Zijn de antistoffen te vinden, dan is het dus diabetes type 1. Zijn die stoffen er niet, kijk dan naar de leeftijd. Is iemand onder de 35 jaar, dan is het meestal diabetes type 1. Toch zegt leeftijd ook niet alles. 

‘Onderzoek of het niet gaat om MODY’

Ben je onder de 35 jaar en mis je bepaalde antistoffen bij de diagnose, onderzoek dan of het niet gaat om een erfelijke vorm van diabetes, zoals MODY. Bijvoorbeeld door te kijken naar het stofje C-peptide. Is dat erg laag, dan gaat het meestal om diabetes type 1. Is het hoog, dan is het goed om genetisch onderzoek te doen naar MODY. 

‘Ketoacidose zegt niet alles’

Goed om te weten, zei De Vries, lang niet iedereen met diabetes type 1 heeft ketoacidose door te hoge bloedsuikers bij de diagnose. En andersom is het ook zo, als je ketoacidose hebt, dan heb je niet automatisch diabetes type 1. Want ketoacidose kan ook voorkomen bij diabetes type 2. 

Twijfel je over jouw diagnose?

Als jouw ‘diabetesplaatje’ niet helemaal klopt en je twijfelt over de diagnose, bespreek dit met je diabetesteam. Bijvoorbeeld:

  • Als je geen antistoffen hebt (als je dat toevallig weet).
  • Als er vrij veel diabetes in je familie voorkomt (meerdere generaties) en als jullie dat al op jonge leeftijd kregen (jonger dan ongeveer 25 jaar).
  • En als je al een tijd diabetes hebt, maar nog steeds weinig insuline nodig hebt.

Het is belangrijk dat je de juiste diagnose hebt, zodat je de beste behandeling krijgt. Bij een diagnose type 1 spuit je insuline terwijl MODY meestal moet worden behandeld met tabletten. Lees hier meer over hoe je MODY herkent.

Het consensusrapport  ‘The management of type 1 diabetes in adults. A consensus report by the American Diabetes Association (ADA) and the European Association for the Study of Diabetes (EASD)’ is gepubliceerd in het vaktijdschrift Diabetologia. Daarin staat ook de volledige flowchart.

Beeld: Shutterstock

Op de hoogte blijven?

Maak eenvoudig een account aan en ontvang regelmatig nieuws over diabetes type 1 per e-mail, met alleen artikelen die voor jou interessant zijn.